
Column
Iedere maand komt er een wijkmaker aan het woord over actuele thematiek die volgens hen de aandacht verdient. Hoe kunnen we ons inzetten voor dit thema en waarom is dit belangrijk?Wijkmakers van de toekomst
Hannah Postma en Jet Webbink, Studenten HanzehogeschoolDeze keer niet één wijkmaker maar een groepje. Ik (Dieke) werd op pad gestuurd als razende reporter richting Beijum. Daar werkt namelijk een nieuwe generatie wijkmakers aan een bijzonder onderzoeksproject. Vanuit Kenniscentrum Noorderruimte van de Hanzehogeschool Groningen werken studenten samen in het Wijklab: een plek midden in de wijk waar studenten niet alleen theorie leren uit boeken, maar vooral werken aan echte vraagstukken. In dit geval een onderzoek over spelen, bewegen en ontmoeten in Beijum.
Studenten Jet en Hannah nemen mij mee door Beijum. Terwijl we door heerden, steegjes en groene stroken trokken, vertellen ze over hun onderzoek, hun twijfels en de keuzes die ze in het proces maken. En juist dat laatste valt op. Niet alleen wat ze onderzoeken, maar vooral hoe bewust ze nadenken over hun rol in de wijk. Want een wijk gebruiken voor onderzoek is makkelijk. Iets toevoegen aan een wijk is veel moeilijker.
Zaklopen als onderzoeksmethode
De studenten onderzoeken hoe kinderen meer samen kunnen spelen in Beijum. Maar al snel merken ze dat een klassieke onderzoeksmethode niet werkt bij kinderen. Een interview aan tafel geeft niet het gewenste resultaat. Een vragenlijst al helemaal niet. Daarnaast hebben ouders hun vraagtekens bij studenten die ineens met hun kinderen willen wandelen voor een onderzoek: aan hen de uitdaging om nieuwe onderzoeksvormen te vinden die werken in de wijk.
Samen met studenten van het Alfa-college organiseren ze een activiteitenmiddag op het schoolplein van BSO De Wigwam. Terwijl kinderen activiteiten doen zoals het Zweeds loopspel, zaklopen en hinkelen, halen de studenten ondertussen hun informatie op. In de hoeken van het plein staan moodboards waarop kinderen kunnen aanwijzen wat zij leuk vinden: natuur of tegels? Verstopplekken of open ruimtes? Klimmen, bouwen, of juist rennen?
“Spel wordt daarmee niet alleen het onderwerp van het onderzoek, maar ook de methode zelf”
Die aanpak zegt veel over het type wijkmaker dat hier wordt opgeleid. Niet eerst een enquĂŞte de wijk in sturen en wachten op respons, maar actief nadenken over hoe kinderen op een natuurlijke manier kunnen meedoen. Kortom, niet alleen data ophalen, maar aansluiten bij hoe bewoners een wijk daadwerkelijk gebruiken en waarnemen.

Een ander beeld van Beijum
Tijdens onze wandeling spreken we ook over Beijum zelf. Voor veel studenten ligt die wijk toch buiten hun dagelijkse leefwereld. Daarom was ik benieuwd hoe zij Beijum als onderzoeksgebied ervaren. Hun antwoorden waren verrassend. Ze hadden vooraf grotere problemen verwacht rond spelen en ontmoeten, zoals een slechte kwaliteit en een tekort aan speelplekken . Maar al snel bleken er juist veel speelplekken in de wijk te zijn. Misschien zelfs wel te veel losse plekken voor aparte leeftijden. De uitdaging zit daarom volgens hen niet in méér speelplekken, maar in betere speelplekken ontwikkelen.
Hannah vertelt hoe natuurlijke speelplekken daarin kunnen helpen. “In de natuur vindt iedereen vanzelf zijn eigen plek.” Minder plastic speeltoestellen en meer ruimte voor avontuur. Want een boomstam of een heuvel werkt vaak voor meer leeftijden tegelijk dan een standaard glijbaan. Dat idee past ook goed bij Beijum als wijk. Door de woonerven, steegjes en groene routes ontstaat er ruimte voor kinderen om hun eigen weg te vinden. Jet onderzoekt deze bestaande routes: welke paden gebruiken kinderen, waarom en hoe kunnen die leuker gemaakt worden.
En soms kwam theorie ineens letterlijk tot leven. Terwijl Jet vertelde hoe lastig het was om contact te leggen met kinderen en ouders, troffen we toevallig een groep kinderen met begeleiders in het bos. Ze waren niet op weg naar een speeltuin, maar gewoon aan het spelen in het groen: natuurlijke routes, avontuurlijk spelen en ontmoeting kwamen daar spontaan samen. Natuurlijk werden er direct contactgegevens uitgewisseld.
Onderzoek in de wijk
Wat me misschien nog wel het meest opvalt tijdens ons gesprek, is hoe bewust de studenten omgaan met hun positie in de wijk. In sommige buurten ligt 'onderzoeksmoeheid' op de loer: bewoners die voor de zoveelste keer hun verhaal doen zonder ooit resultaat te zien. De studenten zijn zich daar erg bewust van. Daarom proberen ze eerst zelf zo veel mogelijk uit te zoeken voordat ze bewoners benaderen. Daarnaast werken ze in een estafette onderzoek: iedere afstudeerlichting bouwt voort op eerdere onderzoeken, zodat niet telkens dezelfde vragen de wijk in gaan.
Eigenlijk is dat misschien wel de belangrijkste les voor het vak wijkmaken. Goed onderzoek gaat namelijk niet alleen over informatie ophalen. Het gaat ook over verantwoordelijkheid nemen voor wat je achterlaat. Over de vraag of bewoners zullen merken dat hun tijd, kennis en openhartigheid uiteindelijk ergens toe gaan leiden.
“Als ik over vijf jaar door Beijum loop en er één speelplek avontuurlijker is geworden door mijn onderzoek, dan ben ik al tevreden."
Misschien is dat precies het soort kwaliteit dat een wijkmaker van de toekomst nodig heeft. Niet de illusie dat je in één project de hele wijk gaat veranderen, maar het besef dat je kleine veranderingen teweeg brengt op de plek waar je werkt. Zelfs al begint dat met één speelplek in Beijum.
Hiermee sluiten we de reeks columns voor “Ogen op Beijum” af. Na de zomer richten we onze ogen weer op een andere Groningse wijk.
