Column

Iedere maand komt er een wijkmaker aan het woord over actuele thematiek die volgens hen de aandacht verdient. Hoe kunnen we ons inzetten voor dit thema en waarom is dit belangrijk?

De straat door kinderogen 

Dieke de Lange, Afgestudeerd sociaal planoloog en werkstudent bij Wijkmakers 

We zijn druk bezig met het verbeteren van onze wijken. We vergroenen straten, richten pleinen opnieuw in en organiseren participatietrajecten om bewoners hierbij mee te laten denken. Dat zijn goede ontwikkelingen. Toch blijft één groep opvallend vaak buiten beeld: kinderen. Dat is opmerkelijk want kinderen gebruiken de openbare ruimte iedere dag. Sterker nog, de wijken waarin je opgroeit, vormen hoe je later de wereld leert lezen. Kinderen lopen, fietsen, spelen, ontmoeten vrienden en bewegen zich constant zelfstandig door de buurt. Toch wordt er vaak óver hen gesproken in plaats van mét hen. Alsof volwassenen vanzelfsprekend weten wat goed is voor een kind. Tijdens mijn afstudeeronderzoek aan de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen wilde ik daarom één vraag centraal stellen: hoe ervaren kinderen zelf de openbare ruimte op hun dagelijkse route van huis naar school?

 

Een vertrouwde route vol betekenis

Samen met kinderen van 9 tot 12 jaar onderzocht ik hoe zij die dagelijkse route beleven. Ik mocht even meekijken door de bril waardoor zij de wereld zien. Met behulp van eigen gemaakte foto’s en ingekleurde kaarten brachten zij hun dagelijkse routes in beeld. Welke plekken vinden ze fijn? Welke vermijden ze liever? Waar voelen ze zich veilig? En waar juist niet? Wat daarbij direct opviel, is dat kinderen hun omgeving vooral ervaren vanuit herkenning en routine. De weg naar school is voor hen lang niet altijd een avontuurlijke ontdekkingstocht of een aaneenschakeling van speelplekken. Het is een vaste, vertrouwde route van A naar B.

Juist die herhaling maakt plekken betekenisvol. Een kinderboerderij waar je altijd even langsloopt, een voetbalveldje waar je vrienden afspreekt, een kat die elke dag op dezelfde stoep zit of een boom die door een groep is uitgegroeid tot vaste ontmoetingsplek. Het zijn geen bijzondere ruimtelijke ingrepen, maar ze geven wel betekenis aan de wijk zoals kinderen die ervaren. 

Niet het verkeer, maar het onbekende

Opvallender waren de verhalen over veiligheid. Verkeerssituaties kwamen regelmatig terug. Drukke kruispunten of lastige oversteekplaatsen werden genoemd, maar vaak zagen kinderen die als risico's waar ze mee konden omgaan. Ze wisten waar ze moesten opletten en noemden verkeer zelden als reden om een route te vermijden.

Veel bepalender bleek iets anders: sociale veiligheid. Kinderen vermijden soms plekken waar iets onvoorspelbaars kan gebeuren. Een groep jongeren die ergens rondhangt, een onbekende volwassene die een ongemakkelijk gevoel oproept of een vervelende ervaring uit het verleden. Soms ging het om concrete incidenten, soms om een gevoel dat moeilijk precies te benoemen is, maar wel blijft hangen. Dat betekent niet dat deze plekken objectief onveilig zijn. Maar voor kinderen zijn die gevoelens wel degelijk echt. En juist die gevoelens bepalen welke route zij kiezen, waar zij stoppen en welke plekken zij liever vermijden.

Interessant genoeg bleek ook dat de regels die kinderen van hun ouders meekrijgen niet altijd overeenkomen met wat zij zelf als risico ervaren. Sommige kinderen mochten bijvoorbeeld niet zelfstandig naar de binnenstad fietsen, terwijl zij die plek helemaal niet als spannend of onveilig zagen. Tegelijkertijd waren er locaties waar kinderen zich ongemakkelijk voelden zonder dat daar door hun ouders specifieke regels over bestonden. Natuurlijk betekent dit niet dat we kinderen voortaan volledig hun eigen grenzen moeten laten bepalen. Wel laat het zien dat er soms een verschil bestaat tussen de risico's die volwassenen zien en de risico's die kinderen zelf ervaren.

 

Kinderen hebben recht op de stad

Dit raakt aan een groter vraagstuk. Kinderen hebben, net als ieder ander, recht op de stad. Dat betekent niet alleen dat zij gehoord moeten worden in participatietrajecten, maar ook dat zij de stad daadwerkelijk kunnen gebruiken en ervaren op een manier die past bij hun leefwereld.

Als we werkelijk kindvriendelijke en leefbare wijken willen maken, denk ik dat we vaker op kinderhoogte moeten kijken. Dat vraagt niet alleen om veilige fietspaden en goede speelplekken, maar ook om aandacht voor hoe kinderen hun omgeving sociaal ervaren. Welke plekken voelen vertrouwd? Waar voelen zij zich welkom? Welke routes vermijden ze en waarom?

Misschien is dat wel de belangrijkste les uit mijn onderzoek: een veilige wijk is niet alleen een wijk met veilige straten, maar ook een wijk waarin kinderen zich sociaal veilig genoeg voelen om te bewegen. En juist dat is iets wat je alleen ziet als je door kinderogen kijkt.